Ik zit op een pluche rode stoel. Amai, dat ding zit lekker, maar het voelt raar. Ik ben gewend om te staan. Maar dat gaat niet gebeuren vanavond. Ik kan er mee leven, ik zit tenslotte heerlijk op een zachte stoel en verkeer in goed gezelschap.

Het Depot in Leuven -dáár staan die stoelen- verwelkomt Asaf Avidan, de man waarvoor ik ga zitten, precies zoals hij dat wil. Op een klein deel van het kleine podium in de kleine knusse zaal staan wat instrumenten en een kruk. Geen glitters, geen lazer, geen décor. Slechts wat retrolampjes aan losse draadjes en hier en daar wat spots moeten Avidan zichtbaar maken.

Zodra hij opkomt -heel gewoontjes en zonder poespas- besef ik dat dat ik herinnerd ga worden aan dingen waarvan ik me afvraag of ik er wel aan herinnerd wil worden. Toch sta ik niet op.

soms zwart

Avidan’s muziek is vaak donker, soms gewoon zwart, met hier en daar een vrolijke noot. Ik stel me zo voor dat hij een lastig leven heeft. Hij overleeft door zich te uiten in muziek, daarbij handig gebruikmakend van zijn sublieme stem en zijn kunde om menig instrument lief te hebben, flirtend met allerhande muziekstijlen. Vanavond is hij in zijn uppie.

Vanaf de eerste tokkels op zijn akoestische gitaar weet ik dat ik wéér de klos ben -het is niet de eerste keer dat ik hem mag aanschouwen. Ik ken écht niet alle titels van zijn songs uit mijn hoofd, maar ‘No Stone Unturned’, ‘Gold Shadow’ en ‘My Old Pain’ doen mijn door het leven geteisterde brein sidderen alsof ik alles uit datzelfde leven aan het herbeleven ben. Ik ben down en happy tegelijkertijd. Ik voel pijn uit verleden en heden. Maar ik geniet met volle teugen, voor heel even ben ik weer compleet zorgeloos, zelfs pijn doet niet altijd pijn.

‘Poet Of The Wind’ geeft me even wat lucht. Het countryachtige gitaarspel en die bescheiden oh-laa-la-laa-la-laa grijs op Avidan’s smoeltje stemmen me even heel vrolijk. Ik krijg de sterke neiging om tussen die stoelen door te huppelen. Niet dus, iedereen blijft braaf zitten, Pimmetje ook. Met moeite.

collega

Ik kijk naar links. Naast mij zit een collega waarmee ik het toevallig goed kan vinden en die bezweken is onder mijn eeuwige gezaag over concerten en festivals -míjn manier van overleven. Daarnaast zit zijn vrouw, volledig gehypnotiseerd. ‘Oei mijn beste brave collega’ denk ik, ‘u kunt het vergeten voor de rest van de avond’. Ik geloof niet dat hij daar mee zit. Hij kijkt vol bewondering, soms zelfs verbijsterd naar die kerel op het podium. Ik glimlach zonder dat hij het ziet, ik wéét dat het een goede zet was hem mee te sleuren naar Leuven.

Tijdens ‘Bang Bang’ racet het bloed met topsnelheid door mijn aderen. Alsof het het er aan alle kanten uit moet. Het Janis Joplinachtige I-love-you-gekrijs doet hem zelfs even van zijn kruk loskomen en het bestek van de naast het Depot gelegen brasserie Charly’s van tafel rammelen.

Dat Avidan niet vies is van een vleugje alcohol is oud nieuws. ‘Er zit ‘iets’ in mijn whisky dat op een beestje lijkt’ vertelt hij tussen neus en lippen door. Het deert hem totaal niet. Een man naar mijn hart. Hoeveel in alcohol verzopen vliegjes heb ik in mijn leven al niet opgesoupeerd? Ben er nooit dood van gegaan en Avidan duidelijk ook niet.

Maar je kunt ook in de klankkast tieren -iets minder gebruikelijk.

‘The Study On Falling’ en ‘Over My Blues’ brengen me terug naar mijn jonge jaren waarin Blues nog Blues was en het leven nog nonchalant. Al denk ik dat dat laatste tot op de dag van vandaag nog zo is -in mijn geval toch.

Ik kijk naar rechts, nét op het moment dat Avidan’s stem weeral van laag naar hoog vliegt, rauw en haast bovennatuurlijk. Daar zit het lief van de zoon van mijn lief naast haar lief -als u het nog kunt volgen. ‘Eh, zie ik het nu goed?’ vraag ik mij af. Ze is onder de indruk. Ze weent. Of iets wat daarop lijkt. Ik draai onmiddellijk mijn kop weer om want ik besef dat ik in dezelfde staat verkeer als zij. Geëmotioneerd en kippenvel op elke cel van mijn versleten lijf. Dat moet zij natuurlijk effe niet zien, want dat zou betekenen dat ik mijn zorgvuldig opgebouwde imago van norse, arrogante zwartkijker in één klap kwijt ben. Het doet deugt te zien dat Avidan haar wéér van haar stuk brengt, net als die keer in Brussel een paar maanden terug. Hoe het ondertussen met haar vriendje is kan ik niet goed zien. Hij is wél verdacht rustig. Net als die ene keer in Brussel, een maand of wat terug.

one day

De intro van ‘Reckoning Song’, eentje die u allemaal kent, krijgt een hint van Flamenco mee gevolgd door een uitgebreid relaas van een mislukte relatie. Zo een die u naar alle waarschijnlijkheid ook ooit heeft meegemaakt. Veel mensen in de zaal zullen op dat moment heel even aan een ex gedacht hebben, kan niet anders. Kijk, daar zit u dan, uiteindelijk zijn we allemaal één pot nat, Avidan incluis.

Recht voor mij zit mijn eigen vrouwtje met haar twee dochters. Meestal klappen die de oren van mijn kop, weten ze alles, maar dan ook álles beter en zuipen ze ook nog eens van mijn wijn. Nu even niet. Het is muisstil in de rij voor me, niet één keer wordt er achteromgekeken om te checken of ik überhaupt nog leef. Het interesseert ze geen zak en mij eerlijk gezegd ook niet. Asaf, please, wil je niet bij ons komen wonen?

Op een gitaar kun je gitaar spelen -heel gebruikelijk. Maar je kunt ook in de klankkast tieren -iets minder gebruikelijk. Avidan doet het in het futuristische ‘Anchor’. Live sampling op het allerhoogste niveau. Vergeet uw ex maar weer en wordt wakker, we zweven even in een twilight zone. Uiteindelijk brengt hij de rust terug met ‘The Labyrinth Song’ en het afsluitende ‘Different Pulses’. Ik voel die brandende rode stroom in mijn lijf langzaam tot bedaren komen. Tegen mijn zin, dat wel.

Ik stap naar buiten in de wetenschap dat ik ‘m nog eens mag aanschouwen op het Sziget festival later dit jaar. Ik ben voldaan en worstel tegelijkertijd met gemengde gevoelens. Precies zoals Avidan dat wil, hij heeft het wéér voor elkaar.

Asaf Avidan. Als u ooit eens tot in uw kleine teen gepakt wilt worden door een singer-songwriter… Ga kijken. En vooral luisteren.

End