Boulevard Anspach.
Of heet het hier al Boulevard Lemonnier misschien?
Ach, maakt niet uit, u weet waar ik zit.
Ergens in Brussel.
Vrijdagavond, vijftien januari éénentwintig, negenuurvierendertig PeeEm.

Ik zit op een bankje, dik -zeg maar héél dik- aangekleed.
Tis koud namelijk, één graad.
Of misschien maar een halve.

Op een honderdtal meter links van mij schijnt hoog in de lucht de rode bol van de Ancienne Belgique alsof er niets aan de hand is.
Vol hoop op betere tijden.

Ik schrans een friet mayo naar binnen.
Da’s lastig met koude klauwtjes.
De inmiddels her en der op mijn vingertjes verspreidde saus dreigt immers te bevriezen.
Maar ik moet opschieten.
Ik moet over een dikke twintig minuten binnen zijn.
Tis iets met een avondklok.

‘Merci monsieur, il faut se dépêcher, il est presque temps!’

Op het bankje tegenover mij zit een jonge gast met een kebab te worstelen.
Ook hij beseft dat ‘ie vlot moet zijn.
En ook zijn tengels zijn rijkelijk voorzien van kleurrijke vettigheid.

‘Bon appétit’ werp ik hem toe.
‘Merci monsieur, il faut se dépêcher, il est presque temps!’ roept hij glimlachend terug.
Of toch iets wat daarop lijkt, mijn Frans is niet bijster geweldig eerlijk gezegd.
Maar ik begrijp dat ‘ie ongeveer zegt dat ‘de tijd dringt’.
Hij heeft gelijk.
Tien uur nadert met rasse schreden.

Voilá.
Daar zitten FrietMan en KebabGast dan.
En we zijn niet alleen zo op de valreep.
Buiten eten terwijl het bijna vriest.
Omdat op restaurant gaan niet mag.
Op café ook niet.
En op AaBéé ook niet.

Dus take away en buiten ophappen.
Weer of geen weer.
En nét voor tien uur opkrassen.
Een mens past zich toch snel aan als ‘ie in het nauw gedreven wordt, niet?

‘Ik ga écht te laat zijn.’

Ik besef spontaan maar weer eens hoe belangrijk de horeca voor mijn welzijn is.
En voor het welzijn van KebabGast tegenover mij.
En ongetwijfeld óók voor het welzijn van u.
Dat u het maar weet.
Het valt me een beetje zwaar vanavond.
Dipjeu…

Echter…, nú ga ik toch rap een sprintje trekken als u het niet erg vindt!
Want het is drie voor tien en mijn kamer ligt hier op elf minuten vandaan.
Ik geef de eveneens in de startblokken staande KebabGast nog een oprechte ‘thumbs up’, zet het op een lopen en werp en passant AB’s bolleke nog een liefdevolle ‘SieJoeSoen’ knipoog toe.

Pas nu heb ik door hoe stil het is op straat.
Shit!
Ik ga écht te laat zijn.
WooHoo!!!