Terwijl ik naar de paarden rij -een dagelijkse én essentiële verplaatsing van een kleine tien minuten- wordt mijn aandacht getrokken door één van de bewoners langs de route die ik elke dag moet afleggen.
Je gaat ze herkennen hè, die mensen die je elke dag ziet, maar toch niet kent…

De koffer van zijne stationbak staat wagenwijd open.
Stampvol groen.
En vóór zijn koffer -op de straat- een kapitaal aan kleurrijke bloemekes in pottekes.

Hijzelf dan.
Een short.
Of bermuda.
Of korte broek.
Of hoe heet zo’n kledingstuk(je) ook.
Ik háát mannen in korte broeken.
Ik krijg er spontaan Cornona van als ik dat zie.

viooltjes

Sandalen.
Nee, geen sokken.
En nee, niks boven die short ook.
Of toch iets.

Terug naar huis zie ik het arme plantje op de rechter weghelft liggen.

Geen shirt, hemd of wat dan ook.
Maar terwijl ‘ie zich voorover buigt hangt zijn ietwat vette pens vol in zijn vandaag aangekochte viooltjes.
Zijn mogelijk nóg blubberige tieten hangen er spartelend naast.
Heel charmant om te zien.
Ik hoop dat één en ander degelijk gedesinfecteerd is.
We zitten nog altijd in een soort van KaaRanTeine immers.
En in zijn geval is anderhalve meter écht niet voldoende.

Ik zie -én hoor- tussen al die vetrijke kwabben een pimpelpaars vioolblaadje wanhopig om hulp roepen.
Tevergeefs.
Terug naar huis zie ik het arme plantje op de rechter weghelft liggen.
Aan stukken gereten door een massa verkeer dat aan ‘gewoon’ doet denken.

tuincentrum

Ik zie online een foto van een bende volk.
In de rij.
Een vette rij.
Bij een tuincentrum ergens in Vlaanderen.

Ik bekijk die smoeltjes -na mijn ijskoude ervaring van deze middag- met buitengewone aandacht.
Ja, nee hè, BloteJupilerDeVioolKiller staat er niet tussen.

Of toch?
Ze lijken écht allemaal op elkaar.

End