Uitstappen en van de vliegtuigtrap geblazen worden door een stevige Tramontana -jawel, familie van Mistral. Het waait een beetje in Bienvenue en France. Ik bevind mij op het piepkleine vliegveldje van Carcassonne, op weg naar een wijndomein in de bergen van Corbières.

De aankomsthal is niet groter dan de gemiddelde Vlaamse badkamer bij u thuis. Een hele rij wachtend volk en een houten hokje van twee bij twee decimeter waarin twee mannen zitten, c’est tout. Er komt één vlieger in de zes maanden aan -nota bene afkomstig van een flutvliegveldje in Charleroi- en er staat onmiddellijk een rij poppetjes zo groot als dat voor de poorten van Rock Werchter. Paniek in de tent. Contrôle des passeports, ik ben tenslotte in de EU, terug in de jaren zeventig. De Fransen proberen met man en macht gespuis uit hun land te weren, het is maar te hopen dat ik binnen mag.

Die twee mannen intrigeren mij. Links in dat kotteke zit een vent die beantwoord aan hét ideaalbeeld van de Franse man. Ik denk zelfs dat hij knap is, al kan ik daar als oude grijze hetro maar moeilijk over oordelen. Strak in het vel, gladgeschoren, hoge jukbeenderen, elk haartje op zijn zongebruinde kop perfect in de plooi, inclusief Paco Rabanne die ik op de luchthaven van Charleroi al meende waar te nemen. Hij draagt een ring, maar ik heb zo’n vermoeden dat hij in geval van nood deze met gemak even af doet. U, vrouwelijke bezoeker van dit vliegveld, bent bij deze gewaarschuwd.

Blubberige Bobbels

Rechts van deze knipogende vrouwenverslinder zit het tegenovergestelde. Al wachtende vraag ik me af hoe het mogelijk is dat die man dat piepkleine hokje is binnen geraakt. Kan niet anders dan dat een stuk of vijf collega’s hem elke ochtend met man en macht door het deurtje proppen, al dan niet met grof geweld. Zijn nek, hoofd en lijf zijn één. Zijn onderkin hangt vrolijk te zwabberen tussen twee lagergelegen blubberige bobbels met op zijn minst maat D105. In tegenstelling tot zijn collega naast hem heeft hij geen bureau. Hij heeft dat ook niet nodig, het toetsenbord van zijn ordinateur personnel leunt relaxed op zijn pens, net als zijn beeldscherm. Een bril met ietwat mistige glazen hangt met scheepstouw zo dik dat het de Titanic van de ondergang had kunnen redden aan twee flappen links en rechts van zijn hoofd waarvan ik vermoed dat het zijn oren zijn.

Als hij me door laat trakteer ik hem op een Big Mac.

Ik kan mijn ogen niet van die vent afhouden en -sorry- een meesmuilende grijns niet onderdrukken ‘Hij, jaaa hij, moet mijn paspoort controleren’ bedenk ik mij. Casanova laat me koud. Bovendien keert die gladjakker elke vent die aan zijn loket komt binnenstebuiten, terwijl ‘ie elke vrouw met smachtende oogjes tussen nek en bovenbenen bestudeert zonder ook maar één blik op de aangereikte ID kaart te werpen. De geilbak. Geef mij Speknek maar. Als hij me door laat trakteer ik hem op een Big Mac.

‘Bonjour’ zegt ‘ie. Amai, er zit écht een strottenhoofd onder al dat vet. Ik mompel ‘Besjoer’ terug, in de beschamende wetenschap dat mijn Frans al verrekte beroerd is als ik gedronken heb, laat staan als ik broodje nuchter ben. Beleefd overhandig ik hem mijn identiteit. Het document wordt zorgvuldig bekeken en mijnheer richt zijn ongetwijfeld honderdvierenvijftig kilo wegende hoofd met veel pijn en moeite op, hetgeen zes minuten en vier seconden duurt.

Hij bekijkt mijn -met een paar zich in de meest uiteenlopende bochten wringende lippen in een ultieme krachtsinspanning een ongeëvenaarde lachuitbarsting te voorkomen- koppie, laat in nulkommanuldrie seconden zijn hoofd weer vallen en kijkt nog maar eens in mijn paspoort. Om het bijna direct met een ferme hand dicht te klappen.

Diepe zucht. Pauze. Oef, dat is een zware bevalling, zo’n Nederlands paspoort. Mijn voor een Fransoos ingewikkelde achternaam intikken met multi dikke vingers op dat kleine keyboard is al helemaal niet te doen, dus hij geeft het maar op. ‘Het zal een brave zijn’ lijkt hij te denken. Het duurt even om zijn hoofd nóg eens op te richten en ‘c’est bon’ te brabbelen. Een minuut of acht om precies te zijn. ‘Mersie Speknek’ zeg ik in mijn beste Frans en ik speer alsnog schaterlachend naar buiten. Jippie, je suis en France, op naar les vins!

Stof

Les vins??? Voordat ik het goed en wel besef word ik op een elektrische mountain bike gezet en lig ik in een afdaling van een o-zo-mooi bergje vol wijngaarden en olijfbomen in het Corbièrtaanse stof te happen. Ik mis een paar bochten, ontsnap ternauwernood aan een paar zorgvuldig onderhouden Veille Vignes, maar voel na ruim tien minuten biken dan tóch het dertig kilo wegende kreng onder mijn poep wegglijden.

De hagelwitte steentjes op het bergpad lachen mij vierkant in het gezicht uit. Daar lig je dan knul. Is wat anders dan op een Belgisch asfaltpaadje in de file staan, hè? Mijn wraak is onuitwisbaar. De alcohol uit mijn linker onderbeen kleurt die kleine terroristjes uit het Pleistoceen meteen felrood. ‘Fuck you stelletje fossiele idioten, nooit, nooit meer zullen jullie nog zo mooi wit zijn!’ denk ik terwijl ik een poging waag om weer op die fiets te klauteren. Hetgeen zeven minuten en negen seconden duurt. Het is dé represaille van Speknek, kán niet anders.

De heerlijke wijnen doen mij ’s avonds mijn bijna dood ervaring en de douaniers van Carcassonne al rap vergeten.

De wijnwereld is mooi, heel mooi. En soms óók een beetje pijnlijk.

End