Zo. December tweeduizendzestien ligt achter ons. Het zit erop. Hoera, een a-capella Halleluja! Komt ‘ie nou mee denkt u? Tis bijna april tweeduizendzeventien knul! Pas op hè, ik wéét dat, ga daar nu niet over zagen, oké?

Elf maanden per jaar mag ik zeggen dat ik een geheiligde job heb. Heb een stel toffe mensen om me heen. Ik doe hele volksstammen aan de drank helpen, heel stout. Ik mag drinken tijdens het werk, etentje hier, degustatietje daar, heel stout. Tussendoor nog een paar keer de beest uithangen in een of andere wijngaard hier ver vandaan. Hetgeen eveneens eten en drinken betekent, heel stout. En die paar dagen per jaar dat ik me niet met wijn bezig hou lig ik frieten met mayonaise te testen op de weide van Werchter. Beetje veldwerk voor mijn collega’s zeg maar. Ik geef toe, ik heb het niet slecht getroffen.

Maar oh wee als december voor de deur staat. Dan begint het pezen. Niks etentje, niks degustatie, niks wijngaardje. Zorgen dat de tent goed gevuld is. En goed gevuld blijft. Zweten dus. Ziet u mij al met palletje cava nummer driehonderdzevenenveertig door de winkel sleuren? Zigzaggend tussen heerlijk vettig riekende demo’s van leveranciers, altijd in de weg staande klanten en collega’s met paletten frietolie, joppiesaus en verse aardappelkroketjes die dezelfde obstakels -en mij- proberen te ontwijken?

‘A eed e stuk in z’ne frak!’ wordt mij gekscherend toegeroepen terwijl ik alwéér met een pallet cava tussen winkelschappen door slinger.

Nee? Heb geduld, ik zal in december dit jaar een collega voor even van zijn palletwagen met frietsaus ontdoen, hem mij laten filmen met die zeshonderd flessen cava op mijn rug en ‘m dat videootje op JoeTjoep laten zetten. Kunt u lachen. Let vooral op de wallen onder mijn ogen na pallet één, ergens begin december. En vergelijk die dan met die van na pallet driehonderdzevenenveertig, zo tegen oud op nieuw. U gaat mij zien struikelen over mijn eigen pikzwarte slabbetjes onder mijn tegen dan spontaan schuimwijn producerende ogen. Alsof ik stomdronken ben. En dat juist in de enige maand per jaar dat ik broodnuchter ben. Want geloof me of niet, terwijl u in december ongetwijfeld rijkelijk eet en drinkt, heel stout, doe ik het beangstigend rustig aan. Kwestie van mijn wallen onder controle houden.

December tweeduizendzestien gaat over in januari tweeduizendzeventien, hoe grappig, some things never change. Doorgaans is januari de tijd om mijn wallen op het gemakkie af te bouwen. Deze keer effe niet.

Pats. Daar is Beerse. In no time is er in de Kempen een cash & carry uit de grond gestampt die zijn weerga niet kent. En die moet gevuld worden.
‘A eed e stuk in z’ne frak!’ wordt mij gekscherend toegeroepen terwijl ik alwéér met een pallet cava tussen winkelschappen door slinger. Ik mag dan in de provincie Antwerpen zijn, mijn zorgvuldig in Limburg opgebouwde statuut is daar al bekend nog voor dat ik ook maar één fles in het schap heb gezet. Man, man, man, Antwerpenaren weten ook werkelijk alles…

Horeca van Zon Beerse - Almost Done!

Het kost drie weken om honderdachtentwintig meter keer vier leggers schap -zo ongeveer dan toch- vol te stoppen met ehhh, hoe heet dat spul ook alweer? Schappenplannetje, sleuren, sjouwen, uitpakken, intassen, eens goed bekijken, verschuiven, nog eens goed bekijken, scannen, prijstickets steken, wallen. Met hulp van een paar oude en nieuwe collega’s -niet te beroerd om een handje te helpen- duwen we ongelofelijk veel lol hebbende zo maar effe een dikke dertigduizend flessen in het vak terwijl we ondertussen ook nog even de dagelijkse omzet van de frituur aan de overkant fors verhogen. God Bless The Bicky Burger!

Enfin, de boel staat. De schappen volgooien was kicken, nu is het tijd voor het échte werk. Beerse is ontmaagd met een paar knallende feestjes. En vertrokken voor een nieuw avontuur in horecaland. Met negenentwintigduizend negenhonderd negen en negentig producten in de schappen. En ook met, ahja, zó heet dat spul: wijn.

‘We hebben je gemist.’ ‘Je blijft toch in Beringen?’ ‘Hey, leuk dat je weer terug bent!’ We zijn in maart. Mijn klanten in Beringen hebben me gemist. Jawel, diezelfde klanten die altijd in de weg lopen en zich elk jaar in december weer kapotlachen om de Kruitvatlook onder mijn ogen hebben mij gemist. Hoe goed voelt dat? Héél goed kan ik u zeggen. Het zijn juist die mensen die elke dag weer een lach op mijn gezicht toveren. Ze mogen mij in de weg blijven lopen. Hoe meer hoe beter. En als ze in de overige elf maanden van het jaar écht niet zonder mijn verlopen decemberkop kunnen doe ik ze graag een ingelijste foto cadeau.

Mijn wallen zijn inmiddels opgedroogd, maar ik beloof u plechtig: in december zijn ze terug.

End

[Originele post: 26 maart 2016]